Wat de wet ons vertelt, en wat literatuur doet met wat de wet verzwijgt

Er zijn boeken die je leest omdat ze mooi zijn, en boeken die je leest omdat ze noodzakelijk zijn. Soms valt dat samen. De laatste maanden las ik een handvol romans en essaybundels die allemaal op hun eigen manier cirkelen rond hetzelfde thema: hoe wetgeving — over taal, over onderwijs, over wie er mag meedoen — doorwerkt in levens die de wet zelf nooit zal beschrijven. Dat is precies het terrein waar literatuur haar bestaansrecht bewijst.

Het verschil tussen een regel en een verhaal

Wetgeving beschrijft categorieën. Een roman beschrijft mensen. Dat klinkt als een open deur, maar de spanning tussen die twee manieren van de werkelijkheid ordenen is de motor achter een opmerkelijk aantal boeken die mij de afgelopen tijd zijn bijgebleven. Ik denk aan romans over meertalige opvoeding, over kinderen die tussen schoolsystemen vallen, over ouders die formulieren invullen in een taal die niet de hunne is. De wet heeft het over leerplicht, inburgeringsplicht, taalvereisten — en ondertussen leven mensen.

Wat me opvalt als ik die boeken naast elkaar leg, is hoe zelden de wetgeving zelf wordt benoemd, en hoe voortdurend de gevolgen ervan voelbaar zijn in dialoog, in de manier waarop personages zwijgen of uitwijken, in wat een kind wel en niet mag zeggen op school. De afwezigheid van het juridische kader maakt het proza juist zwaarder.

Taalwetgeving als literair thema

Neem de discussie over het gebruik van thuistalen in het onderwijs. In Nederland is dit al jaren onderwerp van beleid en debat, en de informatie van de Rijksoverheid over taalonderwijs en inburgering is openbaar en uitgebreid — maar ze vertelt je niets over hoe een kind van negen zich voelt als het op het schoolplein moet schakelen tussen twee werelden die thuis en school heten. Dat doet literatuur.

Ik las eerder dit jaar een debuutroman — ik noem de titel bewust niet meteen, want ik wil eerst over de structuur spreken — waarin een meisje van Marokkaanse komaf opgroeit in een middelgrote Nederlandse stad. De schrijfster kiest ervoor om het Arabisch dat het meisje thuis spreekt nooit te vertalen. Niet in voetnoten, niet in de lopende tekst. Je leest de zinnen en je begrijpt ze niet, en dat is precies de bedoeling. Het is een vertaalkeuze die tegelijk een politieke keuze is: de lezer wordt in de positie geplaatst van het kind op school, omringd door een taal die voor anderen vanzelfsprekend is.

Over debuten en wat ze durven

Debuten zijn interessant omdat ze nog geen publiek hoeven te ontzien. Een debuterend schrijver heeft geen lezers die teleurgesteld kunnen worden, geen uitgeversverwachting om te herhalen, geen eigen oeuvre om coherent mee te blijven. Dat geeft vrijheid, maar ook een bepaald soort ruwheid die ik waardeer — de naden zijn zichtbaar, en soms is dat eerlijker dan de gepolijste roman van iemand die al tien jaar schrijft.

Het debuut dat ik bedoel — Twee monden, één tong van Nadia Zerrouki, uitgebracht bij een kleine maar scherpzinnige uitgeverij in Amsterdam — is niet vlekkeloos. De middelste honderd pagina’s verliezen vaart, de vader blijft te lang een silhouet, en er is een scène in het ziekenhuis die te veel wil. Maar de openingspagina’s zijn van een kwaliteit die ik zelden zie bij een eerste boek, en de slotparagraaf is zo goed dat ik hem twee keer las voordat ik verder ging — wat ik eigenlijk nooit doe.

De uitgeverij als redactionele keuze

Ik schrijf hier regelmatig over de rol van de uitgeverij, omdat ik vind dat die te weinig wordt benoemd in de literaire kritiek. Een boek is nooit alleen het werk van een schrijver. De keuze om dit debuut te publiceren, de beslissing om het Arabisch onvertaald te laten, de omslag die bewust geen gezicht toont — dat zijn redactionele en grafische keuzes die het boek mede maken tot wat het is.

De uitgeverij in kwestie heeft een uitgesproken profiel: ze publiceren relatief weinig titels per jaar, werken met vaste vertalers en ontwerpers, en hebben de gewoonte om in colofons te vermelden wie de eindredactie deed. Dat laatste is zeldzaam en ik vind het een teken van serieuze intentie. Een eindredacteur is de eerste kritische lezer, de persoon die vraagt waarom die scène in het ziekenhuis eigenlijk nodig is. Als je die naam durft te noemen, erken je dat een boek een collectief product is.

Wat verkoopt en wat blijft

Dit is het onderwerp waar ik als voormalig boekhandelaar het meest over nadenk, en ook het onderwerp waarbij ik me het meest moet inhouden, want ik heb de neiging er te lang over te praten. Ik zal het proberen te beperken.

Er is een categorie boeken die goed verkoopt omdat ze een gevoel bevestigen dat de lezer al had. En er is een categorie boeken die blijft omdat ze een gevoel beschrijven dat de lezer nog niet had, of nog niet onder woorden kon brengen. Die twee categorieën overlappen soms, maar minder vaak dan uitgevers hopen. Twee monden, één tong valt in de tweede categorie. Het zal geen bestseller worden. Het staat niet op de tafel bij de kassa. Maar ik denk dat het over tien jaar nog gelezen wordt door mensen die willen begrijpen hoe het was om in dit land op te groeien met meer dan één taal in je mond en geen van beide helemaal de jouwe.

Dat is overigens geen kwaliteitsoordeel over boeken die wél verkopen. Ik heb grote bewondering voor schrijvers die een groot publiek bereiken zonder concessies te doen aan hun werk. Maar ik schrijf hier niet over die boeken, want daar zijn anderen beter in.

Vertaalkeuzes als ethische keuzes

Ik wil nog even terug naar die onvertaalde zinnen, want ik denk dat ze meer verdienen dan een terloopse vermelding. In de vertaaltheorie bestaat een onderscheid tussen domesticering — de tekst aanpassen aan de verwachtingen van de doeltaallezer — en vervreemding, waarbij de lezer naar de tekst toe moet bewegen in plaats van andersom. Lawrence Venuti schreef er uitgebreid over, en zijn argumenten zijn nog steeds relevant, ook al zijn ze niet onomstreden.

Zerrouki kiest voor vervreemding, maar dan van binnenuit: ze is zelf de schrijver, niet de vertaler, en toch maakt ze een vertaalkeuze. Ze beslist dat haar Nederlandse lezer even buiten moet staan. Dat is een daad van literaire moed, en ook een daad van eerlijkheid: ze weigert de ongemakkelijke positie van haar personage weg te schrijven voor het leesgemak van degene die het boek heeft gekocht.

Ik heb studenten vertaling ooit horen zeggen dat een goede vertaling onzichtbaar is. Ik ben het er niet mee eens, en Zerrouki ook niet, zou ik denken. Een vertaling die onzichtbaar is, heeft een keuze gemaakt die ze verbergt. Soms is zichtbaarheid eerlijker.

Tot slot: wat ik meeneem

Ik sluit deze post af zonder aanbevelingslijst, want ik geef geen lijsten. Wat ik meeneem uit het lezen van dit boek — en van de andere titels die ik de afgelopen weken las in hetzelfde thematische veld — is een hernieuwd besef van wat literatuur kan doen wat beleid niet kan.

Beleid beschrijft wat zou moeten, of wat is toegestaan, of wat verplicht is. Literatuur beschrijft wat het kost. Dat is geen aanval op beleid, en ook geen verheerlijking van fictie als superieure kennis. Het is een taakverdeling. De wet zegt dat kinderen naar school moeten en dat ze Nederlands moeten leren. De roman zegt: en dan? En dan wat? Wat gebeurt er in de nacht voor de eerste schooldag, wat zegt de moeder, wat zegt ze niet, hoe klinkt het als een kind voor het eerst in twee talen droomt?

Dat zijn de vragen die me bijblijven. Niet de antwoorden — goede literatuur geeft zelden antwoorden — maar de precisie waarmee de vragen worden gesteld. Zerrouki stelt ze goed. Ik ben benieuwd wat ze hierna schrijft, en of de uitgeverij haar de ruimte geeft om het opnieuw op haar eigen manier te doen. Dat is, uiteindelijk, ook een keuze die telt.